Language / Taal / Sprache / Langue

St Agnes

Stille getuigen van koper en tin

Het kustpad dompelt ons onder in het industriële koper- en tinmijnverleden. Cornwall’s landschap en leven is eeuwenlang onlosmakelijk verbonden met tin en koper. Al in de Bronstijd werd hier tin gedolven. Het vormde de basis voor een handelsnetwerk dat zelfs tot in het Middellandse Zeegebied reikte.

Maar zelfs sterke tradities zijn niet immuun voor de tand des tijds. Internationale concurrentie, dalende prijzen en de uitputting van de rijkste aders maakten uiteindelijk een einde aan de mijnbouw. Wat ooit hele gemeenschappen had gedragen, verstomde langzaam.

Hoog op de kliffen tussen Porthtowan en St Agnes staan de resten van Wheal Coates, een indringende getuige van dat verhaal. Het is één van de talloze kleine tinmijnen die ooit het landschap bevolkten. De National Trust beheert het als cultureel erfgoed.

Hoe tin en koper Cornwall vormden

Wanneer je vandaag naar de ruïnes van Wheal Coates kijkt, zie je vooral een negentiende-eeuwse tinmijn. Maar het verhaal begon veel eerder.

Al in de bronstijd was Cornisch tin een kostbare grondstof. Gemengd met koper ontstond brons, het metaal waarmee werktuigen, wapens en sieraden werden gemaakt. Cornwall bezat uitzonderlijk rijke tinlagen. Recent onderzoek heeft aangetoond aan dat tin uit Cornwall en Devon duizenden jaren geleden al via handelsroutes de Middellandse Zee bereikte. Zo was dit  schiereiland al vroeg verbonden met de grote beschavingen van Europa.

In de achttiende en negentiende eeuw beleefde de tin- en kopermijnbouw haar hoogtepunt. Dankzij nieuwe stoomtechnologie werden steeds diepere ertslagen bereikt en groeide Cornwall uit tot een wereldcentrum van mijnbouwkennis. Toen de mijnbouw in Cornwall economisch minder rendabel werd en de mijnen sloten, namen duizenden Cornische mijnwerkers hun vakmanschap en cultuur mee naar alle uithoeken van de wereld.

De ruïnes van Wheal Coates herinneren daarom niet alleen aan een verdwenen industrie, maar aan een landschap dat gedurende meer dan drieduizend jaar mee de geschiedenis van Europa heeft gevormd.

De smaak van Cornwall

De klassieke Cornish pasty ontstond als ideale stevige maaltijd voor mijnwerkers. De deegkorst hield de vulling warm en beschermde het eten tegen stof, modder en soms zelfs sporen van metalen die aan de handen van de mijnwerkers konden kleven.

De dikke gevlochten rand had daarom een praktische functie. Mijnwerkers hielden de pastei vast aan die rand terwijl ze aten. Volgens de overlevering werd die rand daarna weggegooid, zodat eventueel stof niet werd opgegeten. Historici merken wel op dat dit verhaal waarschijnlijk niet altijd letterlijk gebeurde. In tijden van armoede zal lang niet iedere mijnwerker voedsel hebben weggegooid. 

Traditioneel bestond de vulling uit aardappel, koolraap, ui en rundvlees, met boter, zout en peper naar smaak. Vandaag is de Cornish pastei uitgegroeid tot hét culinaire symbool van Cornwall. Wat ooit een eenvoudige lunch onder de grond was, wordt nu in diverse vullingen overal verkocht, van kleine dorpsbakkerijen tot stations en luchthavens.